Pagina's

zaterdag 21 september 2013

Er zijn geen vliegen in het bos


Als een echte geesteswetenschapper laat ik me leiden door geschreven bronnen en als een echte moderne geesteswetenschapper laat ik me leiden door audiovisuele teksten.  
Zo ook tijdens de aanloop naar mijn beklimming van de Mont Ventoux.

Ik las het hoofdstuk over de beklimming van de Ventoux in het boek ‘De man en zijn fiets’ van Wilfried de Jong, bekeek de gehele website dekaleberg.nl en las het bijbehorende boek, scrolde langs honderden reacties op verschillende fora, bekeek elke documentaire die er de laatste jaren is gemaakt en bladerde door elk tijdschrift met een artikel over de Mont Ventoux. Ik kende elke hoogtegrafiek uit mijn hoofd, wist precies wanneer ik moest schakelen en hoeveel kransjes ik over moest houden. Alle tips sloeg ik op. Van het gebruik van een Autan-stick tegen de vliegen in het bos tot de schuilplekken voor als er plots een onweersbui losbarst. Bronnenonderzoek, dat is wat ik deed.

Op maandag 22 juli was het dan zover. De klim vanaf de echte kant, vanuit Bedoin. Ik had in de dagen ervoor de klim al twee keer vanuit Sault gedaan. Één keer tot Chalet Reynard voor de Tour en één keer tot de top. Toch beschouwde ik deze klim als mijn eerste klim van de buitencategorie. Hiervoor had ik alleen in Limburgse en Duitse heuvels gefietst. Ook toen kende ik alle hoogtegrafieken uit mijn hoofd.

Zoals altijd hadden de zenuwen vat op me. Ik wist immers wat voor een hel me te wachten stond en wat er allemaal mis kon gaan. Mijn vader vroeg of ik nog op de foto wilde bij de marmeren streep die het begin van de klim aangeeft. Nee, dat hoefde niet. Ik wilde zo snel mogelijk beginnen, dan was ik er ook snel weer van af.

De eerste vijf kilometer vallen mee. We fietsten heel rustig mee met een groep Belgen. Bij Saint Esteve kwam de scherpe bocht naar links het bos in en al snel fietsten mijn broertje en één van de Belgen gemakkelijk bij me weg. Ze waren hier ook voor het eerst en hadden geen idee wat ze te wachten stond. Enkel dat het wel zwaar scheen te zijn. Daar fietste ik dan met mijn bronnenonderzoek.

Na vier kilometer door het bos begon ik te twijfelen aan mijn bronnen. Het was er niet moordend heet, door de bomen lag bijna de hele weg in de schaduw. Het ging best lekker. Ik had zelfs nog twee kransjes over. En er waren al helemaal geen vliegen in het bos. De vliegen schijnen erger te zijn dan het stijgingspercentage. Vandaag schitterden ze door afwezigheid.

Twee kilometer voor het chalet kwam dan toch de oneindigheid. Alles leek hetzelfde. Ik was toch al eens eerder langs deze boom gekomen? Deze man met het rode shirt had ik net toch ook ingehaald? Waar blijft Chalet Reynard? Zal ik lichter schakelen? Het was zwaar, ik had nog steeds twee kransjes over. Vooruit dan maar. 100 meter lang lijk ik de berg op te vliegen, daarna ben ik terug bij af. Nog één kransje over, maar deze moet ik bewaren tot de laatste kilometer van 11%. Na elke bocht verwachtte ik het restaurant. Na elke bocht werd ik teleurgesteld. Het was dan eindelijk precies zoals in mijn bronnen.

Vlak voordat de wanhoop toesloeg, werd de begroeiing minder en zag ik voor me Chalet Reynard opdoemen. Na een praatje met twee marathonlopers uit Amsterdam die dit voor de gein eens gingen proberen en de lekkerste cola die ik ooit heb gehad, begon de tocht door het maanlandschap. Dit kende ik al van de Sault-klim. Ik schakelde zwaarder, drie kransjes over voor de laatste zes kilometer. Weer reed ik van bocht tot bocht, nooit verder kijkend in de toekomst. Op de Ventoux bleek ik een geheel andere instelling te hebben dan thuis. Pas ver na het Simpson-monument had ik mijn laatste kransje nodig. De laatste meters gaan slingerend, een brok in de keel. Niet huilen, dan kan je niet ademen. Vlak voor de top afstappen kan echt niet.

Na het bijkomen, de foto’s en het genieten van het uitzicht stort ik me in de afdaling. Ik heb geen puf meer voor angst en daal daarom een keer niet zo beroerd.

Ik zoef het chalet voorbij het bos in. Er waren nog steeds geen vliegen. Mijn bronnen lieten me deels in de steek, maar de berg stond vandaag aan mijn zijde.

donderdag 19 september 2013

Functie: Kannibaal

Het Belgische praatprogramma Reyers Laat staat vanavond, met het oog op het komende wereldkampioenschap, volledig in het teken van het wielrennen. Dit komt in Nederland enkel voor bij de Avondetappe of Tour de Jour. Zoals Mart vanavond ook opmerkte, is het bij onze zuiderburen doodnormaal om met een gehele cameraploeg aan te treden als een paar gekken door de modder rondjes gaan fietsen. 'Als er drie fietsen samen zijn, dan zendt de VRT dat uit.'

Mart Smeets en Michel Wuyts buigen zich over de vraag wie nu eigenlijk de grootste wielrenner aller tijden is. De twee kanshebbers Eddy Merckx en Johan Museeuw schuiven ook aan. De grote vraag wordt echter al snel beantwoord door de Belgische televisie. Waar in de naambalkjes van Smeets en Wuyts simpelweg de functie 'sportjournalist' geschreven wordt, staat er onder Eddy's naam 'De Kannibaal'.

De Kannibaal. Niks meer. In Nederland zouden televisiemakers er 'ex-wielrenner' hebben neergezet. Niet in Vlaanderen. Iedereen, van de bakker tot de premier, weet wie de Kannibaal is. Dat een algemeen praatprogramma van de Vlaamse Radio en Televisieomroep Merckx enkel hoeft aan te duiden met zijn bijnaam zegt genoeg. De makers van Reyers Laat hebben gesproken: België is de grootste wielernatie en de grootste wielrenner aller tijden is Eddy Merckx. Zijn beroep? De Kannibaal.

zaterdag 14 september 2013

De Angliru en het begin van mijn wielercarrière


Twee jaar geleden zag ik hem voor het eerst. De Angliru, voluit de Alto de el Angliru, een ontzettend zware beklimming in het noorden van Spanje. De 15e etappe van de Ronde van Spanje eindigde op deze beruchte col met een maximaal stijgingspercentage van 23,6%. De beelden toonden omvallende motoren die de combinatie van het lage tempo en de enorme stijging niet meer aan konden, slingerende renners op hun fiets, lopende renners naast hun fiets, vermoeide koppies met uitgeholde ogen. Met grote ogen aanschouwde ik dit slagveld. Cobo won. De nummer twee was Wout Poels, hij bleek over buitengewone capaciteiten te bezitten. 


Deze etappe was één van de twee cruciale momenten die mij er toe brachten een racefiets aan te schaffen. Een paar weken daarvoor toonde Andy Schleck in de Tour de France een waar huzarenstukje op de Col du Galibier. Dat wilde ik ook. De grote reuzen in de Alpen en Pyreneeën lonkten. Ik moest ook wielrennen. Een gevecht van mens tegen mens, mens tegen natuur, mens tegen zichzelf.


Dik zes maanden later was ik de trotse bezitter van mijn eerste racefiets. Een Cube Peloton Pro. Mijn eerste ‘berg’ was de Camerig in Zuid-Limburg. Een dag later kwam de Keutenberg. De stilgevallen motor met zijspan in het vreemde bochtje op het steilste gedeelte zorgde voor een extra hoge moeilijkheidsgraad. Een stilgevallen motor en een paar luttele meters met een stijging van boven de 20%. Dit was mijn eigen mini-versie van de Angliru! Met de mimiek van Voeckler trok ik mijn fiets naar de top. Mijn broertje was allang boven. Hij was Cobo.


Het jaar daarop stond de Tecklenburg Rundfahrt op de planning. Al in het begin van de tocht, na een stuiterende, smalle afdaling door een bos, diende zich een muur aan. Zo’n 100 meter, misschien 150, met een stijging van 25%. Dat wist ik niet. Ik zat nog op het buitenblad en ik heb falende schakel-skills. Driekwart van de helling heb ik gelopen met de fiets aan de hand. En dat doet zeer. De steile helling doet het lijken alsof je kuitspieren doormidden scheuren. De plaatjes onder je schoenen zorgen ervoor dat je als een dronken pinguïn naar boven waggelt. In mijn hoofd maak ik een korte notitie: Niet lopen op de Angliru! Lopen doet meer zeer dan fietsen. Mijn vader stond boven op me te wachten, in één keer fietsend naar boven geknald. Hij was Cobo.

Ooit ga ik fietsend naar de top van de Angliru. Dan ben ik Cobo.

Maar niet vandaag. Vandaag zit ik met chips en cola op de bank te kijken naar een gegarandeerd spektakel in de Vuelta. Vandaag doet de Ronde van Spanje de Angliru aan. Ik heb er zelfs speciaal vrij voor gevraagd van mijn werk. Daar durf ik wel voor uit te komen.